Twee vrouwen weven met goud
in de kamer van de duizend kunstenaarshanden.
Daar gaat ze,
in de nacht van de zuivere geesten
langs het smalle pad alleen
het vlees werd steeds zachter
de huid teer
de geest kon niet langer wachten.
Nooit ooit bloeide de magnolia zo schoon in dat voorjaar,
kijk!
hoe plotseling een
open transparante knop in de zon eerder komt dan het blad.
Had de lente zich geopend in ons hart,
aan het venster waren we allemaal bij haar
nog gesloten
door dit verdriet en ook verward.
De stilte draagt de herkenning,
laat deze schreeuw de laatste zijn.
Zit hier, zit hier op de bank aan de zomerse tuin
laat de gedachten gaan
kristallen, amethist, granaat-appeltjes.
Bloemen worden kleurige stenen.
Bomen verdwijnen in amber.
De oester weet hoe lang de spier sluit, wat weet de parel?
De bloem weet van haar vliegende zusje, de vlinder weet van de kolibrie.
Bij iedere wimperknippering is de wereld totaal veranderd
en nooit is er iets verloren gegaan.
Mutatis mutandis.
Tastbaar heb ik deze wereld zo gemaakt als ik het zie
maar
niet het leven
dat oneindig ontastbaar is
de laatste trilling ligt in een gouden pot
aan de voet van de regenboog
naast de eerste beweging.
Daar liggen de kinderen in de kool en kiezen hun zaadje.
Twee veelkleurige vrouwen
mogen zeggen
wat we al zo lang weten,
we misschien zijn vergeten:niet de gedachte
maar het gevoel te verbeelden en betekenis te geven
in een oprecht verlangen is de groei,
scheppend het doel van je leven.
2005

Geen opmerkingen:
Een reactie posten